Voldoen aan (mijn eigen) verwachtingen

Is dat nieuw, dat we onze identiteit laten bepalen door onze baan?

‘Vroeger was dat toch eerder de uitzondering. Je had een aantal beroepen die beschouwd werden als een roeping, zoals leerkracht, priester of dokter. Nog niet zo heel lang geleden was het een wijdverspreid ideaal om voor de staat te werken. Goed loon, vaste positie, goed pensioen. Dat is een jaar of dertig geleden gekanteld. Nu is “ambtenaar” eerder een scheldwoord. Want we moeten allemaal een succesvolle ondernemer zijn, en het product dat we aan de man brengen, is onszelf. We moeten het druk hebben, anders betekenen we niks. […]’

– “Paul Verhaeghe pleit voor collectieve aanpak van burn-out. ‘We hebben het onszelf aangedaan’” in: de Standaard, 8 december 2015

Vorige week had ik mijn beoordelingsgesprek. Dit jaar hanteert mijn werkgever voor het eerst de zespuntsschaal, waarbij ‘voldoende’ het nieuwe ‘goed’ is (voldoet aan de verwachtingen/afspraken). ‘Ruim voldoende’ is ‘boven verwachting’. Mijn associatie met ‘voldoende’ is met de hakken over de sloot, net gehaald, de zesjescultuur.

Waar ik tegen aanloop, ook omdat ik mezelf volgens deze zespuntsschaal heb beoordeeld, is het gebruik van het woord ‘verwachting’. Presteer ik volgens verwachting?

Generatie Y staat erom bekend enorm hoge verwachtingen van zichzelf te hebben. Daarin ben ik niet anders. Dat maakte het invullen van de zelfbeoordeling lastig. Ik ben gewend om te reflecteren op mezelf (vijf jaar daltonschool waar je je gedrag bij ieder vak iedere periode moest reflecteren doet dat met je), maar hier sloeg de twijfel toe. Want welke verwachtingen had ik van mezelf?

Vorige week, tijdens een etentje met vrienden, hadden we het over ons werk. Tijdens gesprekken met andere trainees en mijn collega’s ben ik blij en trots op het werk dat ik doe. Maar tussen het eerste biertje en de curry met vrienden sloeg de twijfel toe. Zij vertelden over hun banen, die aansluiten bij de studies die ze gedaan hebben. Als ik met mijn vrienden praat wil ik niets liever dan terug de culturele sector in, daar zo nodig met niets beginnen en de ene werkervaringsplaats na de andere binnenslepen tot ik ergens mag blijven.

Wat ik vaak vergeet is dat ik zeer bewust de geschiedenis mijn rug toe heb gekeerd toen ik voor mijn master koos. Toch twijfel ik nog steeds of ik geen spijt heb van het niet halen van een MA Geschiedenis. Op dat moment was het de beste keuze, maar de twijfel blijft. En die twijfel voedt de vraag over welke verwachtingen ik van mezelf heb.

Het is lastig de verwachtingen die ik van mezelf heb te onderscheiden van de verwachtingen waarvan ik denk dat andere mensen die van me hebben. Het eerste dat mensen vragen als ik zeg dat ik historicus ben, is ‘wil je dan niet voor de klas?’ – nee, nee, nee, al ben ik jaloers op degenen die zo zeker weten dat ze leraar willen worden dat er zelfs geen andere opties in beeld zijn. Door alle verhalen van twintigers met toffe start-ups en hippe banen krijg ik het gevoel dat ik – met mijn (flex)bureau en wetende wat er aan het eind van de maand aan salaris wordt gestort – minder waard ben dan degene die achter zijn laptop bij een koffietentje zit en maar af moet wachten of deze maand de rekeningen betaald kunnen worden.

Het is een generatie Y-dilemma, zeggen ze. Het constant vergelijken met anderen maakt dat we constant onzeker zijn over het pad dat we kiezen. Keuzevrijheid zorgt voor keuzestress. Allemaal leuk en aardig, maar ik kom geen steek verder. Ik blijf zitten met een wirwar aan verwachtingen, niet wetende wat ik echt wil en of het klopt, wat ik denk dat hoort.