Hoera: Voltooid vertelde tijd bestaat twee jaar!

Het is vandaag twee jaar geleden dat ik me als ondernemer inschreef bij de KvK. Ik werkte nog als trainee Human Resource Management bij UWV, maar wilde terug naar de geschiedenis. Om me heen zag ik vrienden, studiegenoten en vreemden doen wat ze leuk vinden: kennis over de geschiedenis overbrengen, voor verschillende doelgroepen en op verschillende manieren. Mijn manier had ik nog niet gevonden, maar ik wist wel: ik weet wat van schrijven, en ik ben gedreven om jonge historici beter voor te breiden op de arbeidsmarkt.

De afgelopen twee jaar zijn voorbij gevlogen. Ik begon als zzp’er met één opdracht op zak, voor acht tot 16 uur in de week. Twee jaar later heb ik een boek geschreven, ben ik verkozen tot jonge historicus van het jaar, was ik betrokken bij de Historicidagen, begeleidde ik het proces naar een vernieuwde website, was er een succesvolle crowdfunding en succesvolle fondsaanvragen voor nieuwe projecten, schreef ik meerdere stukken voor de Maand van de Geschiedenis (en stond ik zelfs in de metro), was ik genomineerd voor de VIVA 400 en leerde ik ontzettend veel over mezelf.

Twee jaar laten is ook het moment dat ik ‘gewoon’ weer vier dagen in de week voor ‘de baas’ werk. Dat betekent niet dat alles wat ik doe zich binnen die vier dagen laat vatten, of dat ik het ondernemen de rug toe keer. Het betekent vooral dat ik toe ben aan een periode met iets meer structuur, en aan een periode om me te bezinnen op wat ik wil. De komende tijd blijft desondanks druk: er komen nog drie evenementen over historici in het bedrijfsleven, bij de overheid en in de politiek; er komt een boekpresentatie; een verhuizing naar een andere stad.

Ik kijk er naar uit om in relatieve rust nieuwe plannen te smeden. Om na te denken over hoe ik 2018 ga vullen – maar ook om gewoon eens te kijken wat er op mijn pad komt. Om met andere historici te praten over wat hun drijft en waar ze mee bezig zijn – en nu niet met een opnameapparaat tussen ons in.

Voltooid vertelde tijd blijft bestaan, maar heel even wat meer op de achtergrond. Dit bedrijf blijft een wezenlijk deel van hoe ik mezelf zie en het beginpunt van twee wervelende jaren. ‘Op de achtergrond’ betekent overigens niet dat ik niet open sta voor nieuwe projecten: je mag me altijd mailen voor een kop koffie. En als je een lezing of panelbijdrage nodig hebt over historici op de arbeidsmarkt: zoek niet verder.

Wil de echte historicus opstaan?

Laat ik beginnen met een bekentenis: ik heb alleen een bachelor geschiedenis. De grote vraag is of ik meer of minder historicus ben dan de onderzoekers die op congresdagen om me heen zitten. Ik vind het ook een relevante vraag omdat er steeds meer historici afstuderen terwijl er verhoudingsgewijs steeds minder felbegeerde onderzoeksbanen zijn. Als we geen onderzoeker worden, wat betekent het dan in 2017 om historicus te zijn? Als jonge historici worden we gedwongen ons op een andere manier tot ons vakgebied te verhouden, en het is aan ons om dit vorm te geven.

Volgens mij leert de opleiding geschiedenis ons een manier van denken en naar de wereld kijken. Dit is ook waarom ik acht jaar geleden voor de studie koos, al kon ik dat destijds niet zo onder woorden brengen. Ik zocht vooral een context waarin ik de wereld kon beschouwen, en de achtergrond van het nieuws dat ik las kon duiden. Hierin speelde de manier waarop mijn geschiedenisdocent de Amerikaanse verkiezingen met ons besprak een heel grote rol – dit wilde ik ook kunnen.

De opleiding geschiedenis leerde me denken en schrijven, al verfoeide ik de leuze “historici kunnen schrijven, presenteren en analyseren.” Niet omdat het niet waar is, maar omdat het voor mijn gevoel geen recht deed aan mijn toekomstperspectief. Voor mij geen vierjarig promotietraject of opleiding tot docent, maar een carrière waarin ik mijn vaardigheden op een andere manier in zou kunnen zetten. Dit motiveerde ook mijn keuze om geen master Geschiedenis te gaan doen, maar een master waarbinnen ruimte was voor vakken over ondernemerschap en bedrijfskunde. Ik wilde een bredere blik ontwikkelen.

Het stelde me wel voor een dilemma: mocht ik me wel of geen historicus noemen? Ik besloot van wel, omdat ik als eindredacteur bij Stichting Jonge Historici nog inhoudelijk met het vak bezig was. Deze redenatie sluit echter een heleboel mensen uit, want het impliceert dat je alleen een historicus bent als je binnen een professionele context met geschiedenis bezig bent.

Vorig jaar vroeg ik een zaal historici of ze ‘als ze later groot zijn’ iets met geschiedenis willen doen. Van de aanwezige studenten wilde 80% dat. Het contrast met de werkenden was groot: van hen deed nog maar 20% werk dat met geschiedenis te maken heeft. Het is niet beter of slechter om wel of niet iets met geschiedenis te gaan doen, want je neemt je opleiding altijd mee. Waar je ook gaat werken, wat je ook gaat doen, of je nu promovendus, leraar, communicatiemedewerker, ambtenaar, redacteur, projectmedewerker, office manager, beleidsmedewerker, journalist of ondernemer bent.

“Er is maar voor 3% van de mensen die geschiedenis hebben gestudeerd ruimte ‘aan de academie’,” hoorde ik laatst. Tel daarbij degenen op die als docent, archivaris, museummedewerker of binnen een andere context met geschiedenis bezig zijn. Ik vermoed dat dit een klein deel van alle afgestudeerde historici is. Zij werken dagelijks aan geschiedenis – betekent dit dat ‘de rest’ geen ‘echte’ historicus is? We hebben immers allemaal dezelfde basisopleiding – en zelfs dat niet altijd. Met een bachelor in een ander vakgebied of het hbo kun je na een premaster ook een Master Geschiedenis halen – zijn zij meer of minder historicus? Is het inflatie van het begrip historicus als iedereen zich zo noemt? Of juist verrijking van het vakgebied en van toegevoegde waarde?

We móeten nadenken over de waarde van ons vakgebied, juist omdat we niet allemaal als onderzoeker kunnen gaan werken. De noodzaak om relevant te zijn is hoog – maar hoe leg je aan een werkgever uit dat ze jou moeten aannemen als je niet weet hoe je de studie toe moet passen in de praktijk? De eerste stap is beseffen dat je ook historicus kunt zijn als je niet dagelijks met geschiedenis bezig bent. De tweede stap is het vinden van een baan die recht doet aan je kwaliteiten en vaardigheden – want wat je binnen de opleiding hebt geleerd is ook relevant voor werkgevers buiten het historisch bedrijf.

Ik zal niet ontkennen: het is niet altijd makkelijk. De promotieplekken liggen niet voor het oprapen. Er is een overschot aan geschiedenisdocenten. Musea teren op werkervaringsplekken en voor juniorfuncties moet je tegenwoordig zo’n driehonderd jaar ervaring hebben. Maar daar tegenover staat ook dat het tijd is om los te laten dat we opgeleid worden voor een uitkering en dat het zo slecht gaat met jonge historici op de arbeidsmarkt. We worden niet exclusief opgeleid tot onderzoeker, leraar of museummedewerker. Om me heen zie ik veel historici die werk hebben – niet altijd als historicus in de traditionele zin, maar wél met alle vaardigheden die we hebben geleerd. Jonge historici zijn aan het werk – en ze doen werk dat ze leuk vinden.

Ze werken als beleidsmedewerker in de politiek en zijn verrukt als ze weer een keer iets over Nagorno-Karabach mogen schrijven. Ze zijn journalist en worden geroemd om hun stukken die altijd getuigen van dossierkennis. Ze zijn ambtenaar en gebruiken hun inzicht in het grote verhaal om de overheid te vernieuwen. Ze werken in het bedrijfsleven en kunnen uit grote hoeveelheden informatie feilloos de kern aanwijzen. Ze zijn communicatiemedewerker en weten hoe ze van verschillende visies één verhaal moeten maken. Ze zijn manager en kunnen zich goed inleven in verschillende partijen en deze adviseren. En ja, ze promoveren ook op vernieuwend en grensoverschrijdend onderzoek; of zijn geschiedenisleraar en ontwikkelen hun eigen lesmateriaal zodat leerlingen beseffen hoe belangrijk geschiedenis is. Samen bepalen wij het beeld van wat een historicus is. Jonge historici: het is tijd om werk te maken van geschiedenis!

Deze column verscheen eerder op de website van Stichting Jonge Historici.

Ik ga een boek schrijven!

Ja, echt, je leest het goed. Vanmorgen heb ik het auteurscontract getekend en nu mag ik het van de daken schreeuwen:

Voorjaar 2018 verschijnt ‘Gezocht: historicus’ (voorlopige titel) bij Amsterdam University Press.

Dit is een droom die uitkomt. Ik heb een tijdlang een haat-liefde verhouding met Geschiedenis gehad en had geen idee hoe ik mijn studie moest verkopen aan potentiële werkgevers, en wat de waarde van het vakgebied op de arbeidsmarkt was. Op “wat wil je worden dan?” antwoordde ik “Minister-President” (sinds 2002 – eerst Balkenende, nu Rutte – heeft Nederland een historicus als premier). Het was het makkelijkste antwoord naast geschiedenisdocent, wat ik absoluut nooit wil worden.

Langzaamaan herontdekte ik de waarde van de studie en het vakgebied. Samen met Maaike Bloem besloot ik “Maak werk van geschiedenis” (22 nov, komt allen!) op te zetten bij Stichting Jonge Historici. Door dat project raakte ik aan de praat met een uitgever van Amsterdam University Press. Er volgde een meeting tussen Jonge Historici en AUP. 

Mijn werk voor Jonge Historici heeft me geleerd dat kansen er zijn om te grijpen. Vraagt een uitgever je “weten jullie iemand die een dergelijk boek wil schrijven?” Dan zeg je “Ja, ik.” Dan werk je keihard aan een voorstel, en zit je een paar maanden later weer op de uitgeverij- dit keer om het auteurscontract te tekenen.

“Gezocht: historicus” wordt een pleidooi voor historici op de arbeidsmarkt. Ik wil laten zien wat de waarde van geschiedenis en historische vaardigheden is, zowel aan de historici zelf (die het vaak niet weten te verkopen/ er onzeker over zijn) als aan werkgevers. 

Dit ga ik doen op basis van interviews met historici in verschillende vakgebieden. Hoe omschrijven zij de waarde van geschiedenis? Wat moeten historici echt doen als ze dit vakgebied in willen? Ik wil een zo breed mogelijk beeld geven van wat een historicus kan zijn. Dat wil ik ook doen op basis van testimonials van werkgevers: waarom is het zo waardevol om een historicus in je team te hebben?

Dus: ben of ken jij een historicus met een inspirerend verhaal? Is er een historicus van wie je altijd al hebt gedacht ‘ik ben benieuwd hoe hij/zij op deze plek is gekomen’? Of heb jij een onuitwisbare indruk achtergelaten op je baas en is deze overtuigd van de waarde van geschiedenis? Laat het me weten! Op basis van jullie suggesties maak ik een groslijst van historici die ik wil spreken.

Blijven ademen.

Deze week heb ik als een idioot lopen worstelen op een mini-stukje tekst. Ik heb er oprecht twee dagen over gedaan om drie alinea’s te schrijven. De eerste dag prut op papier, de tweede dag iets minder prut, maar nog steeds geforceerd. Gisteren vroeg mijn schoonmoeder me of ik de laatste tijd nog musea had bezocht. Nee, “geen tijd gehad”. Voor het slapen zag ik de nieuwe comic van The Oatmeal.

Creativiteit is als ademen – als je maakt, adem je uit, maar je moet niet vergeten om ook weer in te ademen. Oh ja. Waar ik begin dit jaar nog elke twee-drie weken in het museum te vinden was, veel las, en drie keer in de week ging hardlopen, deed ik dat nu niet. Druk met het opzetten van mijn eigen bedrijf, druk met acquisitie, druk met plannen, druk met alles behalve met mezelf. Ik heb al twee maanden niets gelezen behalve blogs, social media en een halve zaterdagkrant. Ik heb al vier weken niet gelopen (ok, vanwege angst voor een blessure, maar toch). Ik ben eind april voor het laatst in een museum geweest.

Vandaag sudderde de comic door. Ik liep langzaam door Leiden en maakte foto’s. Onderbrak een gesprek over werk om naar babymeerkoetjes te kijken. Ik koos ervoor de trein met tien minuten vertraging te nemen, omdat er op dat traject een mooier uitzicht is (liever de natuur van Leiden-Haarlem-Sloterdijk dan de betonnen grauwheid van Leiden-Schiphol-Sloterdijk). Ik ging hardlopen. Ik las achter elkaar 100 pagina’s, zonder op mijn telefoon te kijken of ik al mail had (ok, één keer dan).

En waar ik deze week twee dagen over drie alinea’s deed, kostten deze drie alinea’s me maar een klein kwartiertje. Om uit te ademen moet ik ook in blijven ademen. Niet vergeten. Thuiswerken is fijn, maar thuis moet ook thuis zijn, en niet alleen maar kantoor.

IMG_6666

Voltooid vertelde tijd

1 september 2015 was ik in het Groninger Museum voor de tentoonstelling van het werk van Song Dong. Het voelde zo goed om me weer te verdiepen in een nieuw perspectief, in een voor mij nieuwe geschiedenis, in nieuwe kunst, dat ik begon te twijfelen of het werk dat ik deed wat voor mij was.

Ik sloot de twijfel net zo hard weer buiten. “Er is geen werk te vinden in de culturele sector.” “Niemand gaat me betalen voor wat ik schrijf.” “Ik kan toch gewoon genoegen nemen met af en toe een museum bezoeken en leuke nevenactiviteiten?”

Ik bezocht musea. Ik maakte plannen voor nieuwe projecten. En het bleef kriebelen. Dit was toch echt waar ik gelukkig van werd. Maar de overtuiging dat er geen droog brood in te verdienen zou zijn bleef sterker.

Sukkel. Je kunt nog zo hard vechten tegen je overtuigingen, nog zo hard buiten willen sluiten wat je hart je ingeeft, nog zo hard zeggen “ik heb heel bewust gekozen om niet verder te gaan met geschiedenis”, uiteindelijk zul je toch (weer) worden wie je bent.

Want ik ben nu eenmaal historicus. Ik word nu eenmaal zielsgelukkig van oude boeken, van kunst die het (of een) verhaal vertelt, van schrijven en literatuur en wereldbollen die laten zien hoe het vroeger was.

Ik heb de twijfel toegelaten en de knoop werd voor me doorgehakt, met het aanbod van een ontzettend leuke freelance opdracht op het snijvlak van museumeducatie, sponsorwerving en communicatie. Twee weken terug bezocht ik de tentoonstelling Miró en Cobra en voelde ik me zo gesterkt en bevestigd in mijn keuze.

Dit is wat ik wil. Mijn leven staat helemaal op zijn kop, maar ik ben zo gelukkig. Zo zo zo gelukkig. En dat allemaal vanwege een “ik hoorde dat ze iemand nodig hebben, is het wat voor jou?” waar ik pas na drie weken actie op ondernam, omdat ik twijfelde. Zo kan het lopen.

Vanaf afgelopen maandag officieel: ik ben zzp’er. Ik ga minder uren bij mijn huidige werkgever werken en steeds wat meer tijd besteden aan mijn eigen onderneming Voltooid vertelde tijd. Vandaag is mijn eerste echte zzp-dag. Per 1 mei ben ik fulltime freelancer. Nog niet met een fulltime gevulde agenda, maar dat gaat goed komen.

Meer over mij weten? Lees meer op deze website, of bekijk voor informatie over mijn werkervaring mijn LinkedIn.

Wil je met me samenwerken? Neem contact met me op!

2016: Het jaar van de onzekerheid

Weer een jaar voorbij. 2016 begint min of meer hetzelfde als 2015: het zoeken naar vacatures en het schrijven van sollicitatiebrieven. Verschil is wel dat ik nu vanuit een baan solliciteer, in plaats vanuit werkloosheid.

De onzekerheid is hetzelfde. Ik heb geen idee hoe het komende jaar er uit gaat zien. Goed, ik weet dat mijn contract loopt tot eind april, maar dan? En zelfs daarvoor: stroom ik eerder uit naar een andere baan? En waarheen dan? Hoe ga ik de laatste maanden van mijn traineeship inrichten?

Het is altijd zo makkelijk geweest. Tot 2014 heb ik altijd geweten hoe het volgende jaar eruit zou zien. Weer een jaar (middelbare) school. Nog maar een jaar studeren, geen idee welke vakken ik zou volgen maar ruwweg wist ik dat ik ieder semester 30 ECTS moest halen en dat ik vooruit ging.

De vooruitgang moet nu vooral uit mezelf komen. Ontwikkelplannen, trainingen en goede voornemens helpen daarbij, maar kunnen de onzekerheid niet wegnemen. Want hoe 2016 er uit zal zien, ligt vooral aan mijn eigen inzet.

Gisteren was ik na twee weken vakantie weer op kantoor. De beste wensen vlogen me om de oren, met daarbij de toevoeging: “dat 2016 maar een succesvol jaar mag worden”. De trainees wensten elkaar onderling “dat we maar allemaal een nieuwe baan mogen vinden”.

Het voelt als het moment van de waarheid: het contract loopt nog vier maanden. Ik voelde de druk al sinds ik in september afsprak “1 februari hebben we een andere baan”. Die deadline lieten we in december los, omdat 1 februari toch al heel snel dichterbij kwam. Nu is er de deadline van 1 mei, en deze kunnen we niet loslaten.

Tijd om me vol in te zetten op een nieuwe baan. Een baan waarin ik op projectbasis kan werken, waarin ik kan schrijven, waarin ik mag presenteren en workshops of trainingen kan geven. Ik wil me verder ontwikkelen, ik wil me inzetten voor onderwijs en emancipatie, voor een beter arbeidsmarktperspectief. Dat dit mijn thema’s zijn wordt steeds meer bevestigd. In welke vorm ik dit ga gieten: voorlopig onbekend. Weer die onzekerheid.

Ondanks de onzekerheid ga ik 2016 met een positief gevoel tegemoet. Dit wordt mijn jaar, net zoals 2015 uiteindelijk mijn jaar werd. Sowieso begin ik eind deze maand met een mooi nieuw project bij Jonge Historici (wordt vervolgd) en ook die nieuwe baan komt er. Daarnaast blijf ik hier vrolijk verder schrijven en ga ik (net als ruwweg 99% van Nederland) dit jaar écht meer sporten.

Op oudejaarsavond kreeg ik deze tekst doorgestuurd: Dear past, thank you for all the lessons. Dear future, I’m ready. Kom maar op, 2016, ik ben klaar voor je.

Voldoen aan (mijn eigen) verwachtingen

Is dat nieuw, dat we onze identiteit laten bepalen door onze baan?

‘Vroeger was dat toch eerder de uitzondering. Je had een aantal beroepen die beschouwd werden als een roeping, zoals leerkracht, priester of dokter. Nog niet zo heel lang geleden was het een wijdverspreid ideaal om voor de staat te werken. Goed loon, vaste positie, goed pensioen. Dat is een jaar of dertig geleden gekanteld. Nu is “ambtenaar” eerder een scheldwoord. Want we moeten allemaal een succesvolle ondernemer zijn, en het product dat we aan de man brengen, is onszelf. We moeten het druk hebben, anders betekenen we niks. […]’

– “Paul Verhaeghe pleit voor collectieve aanpak van burn-out. ‘We hebben het onszelf aangedaan’” in: de Standaard, 8 december 2015

Vorige week had ik mijn beoordelingsgesprek. Dit jaar hanteert mijn werkgever voor het eerst de zespuntsschaal, waarbij ‘voldoende’ het nieuwe ‘goed’ is (voldoet aan de verwachtingen/afspraken). ‘Ruim voldoende’ is ‘boven verwachting’. Mijn associatie met ‘voldoende’ is met de hakken over de sloot, net gehaald, de zesjescultuur.

Waar ik tegen aanloop, ook omdat ik mezelf volgens deze zespuntsschaal heb beoordeeld, is het gebruik van het woord ‘verwachting’. Presteer ik volgens verwachting?

Generatie Y staat erom bekend enorm hoge verwachtingen van zichzelf te hebben. Daarin ben ik niet anders. Dat maakte het invullen van de zelfbeoordeling lastig. Ik ben gewend om te reflecteren op mezelf (vijf jaar daltonschool waar je je gedrag bij ieder vak iedere periode moest reflecteren doet dat met je), maar hier sloeg de twijfel toe. Want welke verwachtingen had ik van mezelf?

Vorige week, tijdens een etentje met vrienden, hadden we het over ons werk. Tijdens gesprekken met andere trainees en mijn collega’s ben ik blij en trots op het werk dat ik doe. Maar tussen het eerste biertje en de curry met vrienden sloeg de twijfel toe. Zij vertelden over hun banen, die aansluiten bij de studies die ze gedaan hebben. Als ik met mijn vrienden praat wil ik niets liever dan terug de culturele sector in, daar zo nodig met niets beginnen en de ene werkervaringsplaats na de andere binnenslepen tot ik ergens mag blijven.

Wat ik vaak vergeet is dat ik zeer bewust de geschiedenis mijn rug toe heb gekeerd toen ik voor mijn master koos. Toch twijfel ik nog steeds of ik geen spijt heb van het niet halen van een MA Geschiedenis. Op dat moment was het de beste keuze, maar de twijfel blijft. En die twijfel voedt de vraag over welke verwachtingen ik van mezelf heb.

Het is lastig de verwachtingen die ik van mezelf heb te onderscheiden van de verwachtingen waarvan ik denk dat andere mensen die van me hebben. Het eerste dat mensen vragen als ik zeg dat ik historicus ben, is ‘wil je dan niet voor de klas?’ – nee, nee, nee, al ben ik jaloers op degenen die zo zeker weten dat ze leraar willen worden dat er zelfs geen andere opties in beeld zijn. Door alle verhalen van twintigers met toffe start-ups en hippe banen krijg ik het gevoel dat ik – met mijn (flex)bureau en wetende wat er aan het eind van de maand aan salaris wordt gestort – minder waard ben dan degene die achter zijn laptop bij een koffietentje zit en maar af moet wachten of deze maand de rekeningen betaald kunnen worden.

Het is een generatie Y-dilemma, zeggen ze. Het constant vergelijken met anderen maakt dat we constant onzeker zijn over het pad dat we kiezen. Keuzevrijheid zorgt voor keuzestress. Allemaal leuk en aardig, maar ik kom geen steek verder. Ik blijf zitten met een wirwar aan verwachtingen, niet wetende wat ik echt wil en of het klopt, wat ik denk dat hoort.

Aandacht voor ambitie

“Toch doet ons onderwijs ook voor meisjes iets verkeerd. Want die mogen dan massaal de diploma’s binnenslepen, wat doen ze ermee? Hun schoolsucces heeft niet geleid tot een stormachtige verovering van de macht. In topfuncties in het bedrijfsleven en de wetenschap zijn vrouwen nog steeds bedroevend slecht vertegenwoordigd. Kennelijk leren meisjes niet dat ze competitief en ambitieus mogen zijn.”
– Aleid Truijens, ‘Competentieleren krijgt de doodsteek’ in: de Volkskrant, 28 november 2015.

Ik word zo moe van zich beklagende vrouwen dat er niet genoeg vrouwen in topfuncties zijn. Enerzijds omdat iedere vrouw nu eenmaal voor zichzelf de keuze maakt of ze een topfunctie wil of niet, maar ook omdat iedereen het liefst gisteren dan vandaag die vrouwen aan de top ziet.

Eerder in het stuk geeft Truijens aan dat het persbericht over competentieleren wel van 10 jaar geleden leek. Ik heb een rooskleurig beeld van de arbeidsmarkt, maar volgens mij kom je in zowel het bedrijfsleven als de wetenschap met 10 jaar ervaring nog maar ‘net’ kijken, en kan je wel op weg zijn naar een topfunctie, maar ben je er nog niet. Het is niet voor niets dat de mensen in deze functies vaak 50+ zijn. Ze hebben een lange aanloop nodig gehad.

Dat ze nu nog niet aan de top staan, betekent niet dat vrouwen die ambitie niet hebben. Om me heen zie ik genoeg vrouwen die de top gaan halen. Zij zijn nu nog student, promovendus, trainee, of junior. Door bestuursjaren, stages en vrijwilligerswerk hebben ze echter al meer ervaring en inzicht in hun ambities dan je ze voor de rol die ze hebben zou geven.

Ik ken vrouwen die naast hun fulltime baan 3 bestuursfuncties hebben en hun hand niet omdraaien voor het opzetten van een nieuw netwerk. Vrouwen die een promotieplek in de wacht hebben gesleept omdat ze met vernieuwend onderzoek bezig zijn. Vrouwen die visie hebben op de ontwikkeling van hun vakgebied en hun plaats op de arbeidsmarkt en niet afwachten of het zal uitkomen maar zelf de touwtjes in handen nemen. Vrouwen die als het even kan morgen het vliegtuig naar het buitenland pakken om de misstanden in de wereld op te lossen. Vrouwen die door de top van hun vakgebied als talent onderscheiden worden.

Natuurlijk zijn er ook zat vrouwen die andere keuzes maken. Dat is prima, die keuzevrijheid hebben ze. Maar vlak de ambitieuze vrouwen niet bij voorbaat al uit. We komen eraan. Het is misschien niet over 10 jaar dat we aan de top staan, maar over 25 jaar vieren we gezamenlijk onze successen. Want dat we succesvol zullen worden, daar twijfelen we niet aan.

Een halfjaar HRM

Ik werk nu een halfjaar bij de afdeling HRM/Communicatie. Had ik verwacht dat ik deze kant op zou gaan? Nee. Ik –historicus- zag mezelf wel ‘iets’ achter de schermen doen op een universiteit, om te zorgen dat al het onderwijs en onderzoek goed verloopt en dat de faculteit goed inspeelt op plannen van het CvB, of ‘iets’ in de culturele sector. ‘Iets’ bij een gemeente, ‘iets’ waarbij ik kan schrijven.

En toen kwam deze functie voorbij. Trainee. Ik pitchte waarom ik dacht dat ik een goede match zou zijn en werd uitgenodigd voor de selectiedag begin april. “We selecteren voor drie opdrachten bij HRM” hoorde mijn selectiegroep aan het eind van de dag. Op de selectiedag vond ik al dat één van de opdrachten me op het lijf geschreven was. Maar HRM? Waarom dachten ze dat ik goed tot m’n recht zou komen bij HRM? Wat ìs HRM?

Boeien en binden, generatiemanagement, talentmanagement, kernkwaliteiten. Directievergaderingen, managementteams, afkorting na afkorting na afkorting. Opdrachtgeverschap, stakeholder engagement. Businesspartners, adviseurs, staf. Al snel duizelde het me en het duizelt me soms nog steeds.

Na zes weken had ik nog steeds geen idee. “Iets met mensen en de organisatie,” zei ik als iemand me vroeg wat HRM dan precies doet. Na een half jaar weet ik: de basis is mensen; zijn er genoeg, worden ze goed gefaciliteerd en welke richting gaan ze op. Maar ook organisatieontwikkeling is een onderdeel van HRM: welke kant wil je als organisatie op en welke stappen ga je zetten om daar te komen?

Ik heb geweldige workshops gevolgd over eigenaarschap en lean six sigma. Nuttige workshops over versimpelen en projectmanagement. Maar bovenal ben ik keer op keer tegen mijn eigen grenzen aangelopen en heb ik deze telkens weer een stukje verlegd.

Want was het niet “Wat is HRM en wat doe ik hier?” dan waren het senior collega’s die een heel ander idee van de loop van mijn project hadden dan ik. Die liever een hele andere insteek zouden zien. En blijf dan maar bij je standpunt. Dat is moeilijk, en het heeft ook even geduurd voordat ik kon zeggen, “dit is mijn project en ik doe het op mijn manier”. En het komt er nog steeds niet luidkeels uit, maar al een heel stuk luider dan een halfjaar geleden.

Ik leer hier zoveel en zo snel. Begin juni hadden we een heidag, waar ik met open mond heb zitten luisteren. Waar hádden die mensen het over? Echelons? Lijnverantwoordelijkheid? Wat? Ik, als trainee aangenomen voor mijn frisse blik, kwam niet verder dan ‘eh’ en ‘um’ en een sporadische opmerking tussendoor waarvan ik twijfelde of ik het wel begrepen had. En dan nu. Een aantal weken geleden zaten we weer op de hei. Toen zag ik voor het eerst hoeveel ik gegroeid was. Ik zei dingen. Zinnige dingen, vond ik zelf. De dag erna kreeg ik de bevestiging. Ik had inderdaad zinnige dingen gezegd.

Het ontwikkelen gaat door. Want ik doe nu zelfstandig vooronderzoek voor een notitie en ga deze ook zelf schrijven. Natuurlijk vraag ik hierbij om hulp, want op een aantal adviesstukken op de universiteit na heb ik hier geen ervaring mee. Hoe ga ik op basis van 30 interviews aanbevelingen doen? Het lijkt een beetje op mijn scriptie maar vooral ook heel erg niet. Het verschil met een aantal maanden geleden is dat ik steeds meer besef dat ik ook om hulp mag vragen, dat hulp vragen niet betekent dat ik een sukkel ben die het niet snapt.

Het leuke is: ik doe ‘iets’ achter de schermen van een overheidsorganisatie. Geen gemeente en geen universiteit, maar wél werk dat te maken heeft met organisatieontwikkeling. Ik doe ‘iets’ met schrijven en dat ‘iets’ in de culturele sector dat doe ik op vrijwillige basis ernaast bij de te gekke stichting Jonge Historici. Zit ik dan toch goed op mijn plek hier?

Blijf ik in het vakgebied, als mijn traineeship is afgelopen? Geen idee. Het enige wat ik daarover kan zeggen is dit: eind september gaf ik met een aantal collega’s een workshop. En toen een van hen ons omschreef als “de blonde meisjes van HRM” dacht ik voor het eerst niet “huu HRM laat me met rust” maar “hee, HRM. Dat is toch wel leuk”.