Wil de echte historicus opstaan?

Laat ik beginnen met een bekentenis: ik heb alleen een bachelor geschiedenis. De grote vraag is of ik meer of minder historicus ben dan de onderzoekers die op congresdagen om me heen zitten. Ik vind het ook een relevante vraag omdat er steeds meer historici afstuderen terwijl er verhoudingsgewijs steeds minder felbegeerde onderzoeksbanen zijn. Als we geen onderzoeker worden, wat betekent het dan in 2017 om historicus te zijn? Als jonge historici worden we gedwongen ons op een andere manier tot ons vakgebied te verhouden, en het is aan ons om dit vorm te geven.

Volgens mij leert de opleiding geschiedenis ons een manier van denken en naar de wereld kijken. Dit is ook waarom ik acht jaar geleden voor de studie koos, al kon ik dat destijds niet zo onder woorden brengen. Ik zocht vooral een context waarin ik de wereld kon beschouwen, en de achtergrond van het nieuws dat ik las kon duiden. Hierin speelde de manier waarop mijn geschiedenisdocent de Amerikaanse verkiezingen met ons besprak een heel grote rol – dit wilde ik ook kunnen.

De opleiding geschiedenis leerde me denken en schrijven, al verfoeide ik de leuze “historici kunnen schrijven, presenteren en analyseren.” Niet omdat het niet waar is, maar omdat het voor mijn gevoel geen recht deed aan mijn toekomstperspectief. Voor mij geen vierjarig promotietraject of opleiding tot docent, maar een carrière waarin ik mijn vaardigheden op een andere manier in zou kunnen zetten. Dit motiveerde ook mijn keuze om geen master Geschiedenis te gaan doen, maar een master waarbinnen ruimte was voor vakken over ondernemerschap en bedrijfskunde. Ik wilde een bredere blik ontwikkelen.

Het stelde me wel voor een dilemma: mocht ik me wel of geen historicus noemen? Ik besloot van wel, omdat ik als eindredacteur bij Stichting Jonge Historici nog inhoudelijk met het vak bezig was. Deze redenatie sluit echter een heleboel mensen uit, want het impliceert dat je alleen een historicus bent als je binnen een professionele context met geschiedenis bezig bent.

Vorig jaar vroeg ik een zaal historici of ze ‘als ze later groot zijn’ iets met geschiedenis willen doen. Van de aanwezige studenten wilde 80% dat. Het contrast met de werkenden was groot: van hen deed nog maar 20% werk dat met geschiedenis te maken heeft. Het is niet beter of slechter om wel of niet iets met geschiedenis te gaan doen, want je neemt je opleiding altijd mee. Waar je ook gaat werken, wat je ook gaat doen, of je nu promovendus, leraar, communicatiemedewerker, ambtenaar, redacteur, projectmedewerker, office manager, beleidsmedewerker, journalist of ondernemer bent.

“Er is maar voor 3% van de mensen die geschiedenis hebben gestudeerd ruimte ‘aan de academie’,” hoorde ik laatst. Tel daarbij degenen op die als docent, archivaris, museummedewerker of binnen een andere context met geschiedenis bezig zijn. Ik vermoed dat dit een klein deel van alle afgestudeerde historici is. Zij werken dagelijks aan geschiedenis – betekent dit dat ‘de rest’ geen ‘echte’ historicus is? We hebben immers allemaal dezelfde basisopleiding – en zelfs dat niet altijd. Met een bachelor in een ander vakgebied of het hbo kun je na een premaster ook een Master Geschiedenis halen – zijn zij meer of minder historicus? Is het inflatie van het begrip historicus als iedereen zich zo noemt? Of juist verrijking van het vakgebied en van toegevoegde waarde?

We móeten nadenken over de waarde van ons vakgebied, juist omdat we niet allemaal als onderzoeker kunnen gaan werken. De noodzaak om relevant te zijn is hoog – maar hoe leg je aan een werkgever uit dat ze jou moeten aannemen als je niet weet hoe je de studie toe moet passen in de praktijk? De eerste stap is beseffen dat je ook historicus kunt zijn als je niet dagelijks met geschiedenis bezig bent. De tweede stap is het vinden van een baan die recht doet aan je kwaliteiten en vaardigheden – want wat je binnen de opleiding hebt geleerd is ook relevant voor werkgevers buiten het historisch bedrijf.

Ik zal niet ontkennen: het is niet altijd makkelijk. De promotieplekken liggen niet voor het oprapen. Er is een overschot aan geschiedenisdocenten. Musea teren op werkervaringsplekken en voor juniorfuncties moet je tegenwoordig zo’n driehonderd jaar ervaring hebben. Maar daar tegenover staat ook dat het tijd is om los te laten dat we opgeleid worden voor een uitkering en dat het zo slecht gaat met jonge historici op de arbeidsmarkt. We worden niet exclusief opgeleid tot onderzoeker, leraar of museummedewerker. Om me heen zie ik veel historici die werk hebben – niet altijd als historicus in de traditionele zin, maar wél met alle vaardigheden die we hebben geleerd. Jonge historici zijn aan het werk – en ze doen werk dat ze leuk vinden.

Ze werken als beleidsmedewerker in de politiek en zijn verrukt als ze weer een keer iets over Nagorno-Karabach mogen schrijven. Ze zijn journalist en worden geroemd om hun stukken die altijd getuigen van dossierkennis. Ze zijn ambtenaar en gebruiken hun inzicht in het grote verhaal om de overheid te vernieuwen. Ze werken in het bedrijfsleven en kunnen uit grote hoeveelheden informatie feilloos de kern aanwijzen. Ze zijn communicatiemedewerker en weten hoe ze van verschillende visies één verhaal moeten maken. Ze zijn manager en kunnen zich goed inleven in verschillende partijen en deze adviseren. En ja, ze promoveren ook op vernieuwend en grensoverschrijdend onderzoek; of zijn geschiedenisleraar en ontwikkelen hun eigen lesmateriaal zodat leerlingen beseffen hoe belangrijk geschiedenis is. Samen bepalen wij het beeld van wat een historicus is. Jonge historici: het is tijd om werk te maken van geschiedenis!

Deze column verscheen eerder op de website van Stichting Jonge Historici.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *